Naar inhoud springen

aait

Uit WikiWoordenboek
  • aait
vervoeging van
aaien

aait

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaien
    • Jij aait. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaien
    • Hij aait. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van aaien
    • Aait! 
     Mijn lichaam begint te schokken en ik huil alles eruit, terwijl mijn vader me over mijn haar aait en zegt: 'Dat zal je leren om zonder je vader op reis te gaan.'[1]
     Nikki aait me. 'Huil maar, mama,' zegt ze. Je moet je niet schuldig voelen.[2]
  1. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471