aaide
Uiterlijk
- aai·de
| vervoeging van |
|---|
| aaien |
aaide
- enkelvoud verleden tijd van aaien
- Ik aaide.
- Jij aaide.
- Hij, zij, het aaide.
- Ik aaide.
- ▸ Ik hoorde de songtekst nog steeds toen ik terugdacht aan de schouderklop die ik Joy op Sicilië ter afscheid gaf, waarbij ik heel even stiekem met mijn wijsvinger over haar zachte nekvel aaide.[1]
- ▸ Ze aaide eindeloos lang een kleine moedervlek in mijn knieholte, ze masseerde minuten lang alleen mijn pinken, ze kuste zachtjes haartje voor haartje mijn bikinilijn.[1]
- Het woord aaide staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- 1 2 Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal