Naar inhoud springen

aaide

Uit WikiWoordenboek
  • aai·de
vervoeging van
aaien

aaide

  1. enkelvoud verleden tijd van aaien
    • Ik aaide. 
    • Jij aaide. 
    • Hij, zij, het aaide. 
     Ik hoorde de songtekst nog steeds toen ik terugdacht aan de schouderklop die ik Joy op Sicilië ter afscheid gaf, waarbij ik heel even stiekem met mijn wijsvinger over haar zachte nekvel aaide.[1]
     Ze aaide eindeloos lang een kleine moedervlek in mijn knieholte, ze masseerde minuten lang alleen mijn pinken, ze kuste zachtjes haartje voor haartje mijn bikinilijn.[1]
  1. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340