Zuid-Duitsland

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • Zuid-Duits·land
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord Zuid-Duitsland -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

Zuid-Duitsland o

  1. (toponiem) gebied bestaand uit de Duitse deelstaten Beieren en Baden-Württemberg, ook gebruikt voor gebieden die hoofdzakelijk uit het gebied van deze deelstaten bestaat
     In grote delen van Oostenrijk en Zuid-Duitsland is de op een na hoogste lawinewaarschuwing van kracht.[1]
  2. (taalkunde) het deel van Duitsland waar Hoogduits wordt gesproken, ruwweg ten zuiden van de Main
     Ook thuis spreekt Julia geen plat, en dat is geen wonder, want haar eigen oma, die zich nu zo inspant Nederduits te spreken met haar kleinkind, heeft haar kinderen destijds met opzet alleen Hoogduits geleerd. "Er kwamen destijds vluchtelingen van elders en mensen uit Zuid-Duitsland, en daar hield je rekening mee." En zo schakelde Anita Dierksen over op Hoogduits, ook in de opvoeding van haar eigen kinderen.[2]
Meroniemen
Holoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 22 februari 2020 Weblink bron
    Kasper van Laarhoven
    “Opnieuw lange files in Oostenrijk en Duitsland door hevige sneeuwval” (6 januari 2019) op nrc.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 22 februari 2020 Weblink bron
    Gerbert van Loenen
    “De taal van opa en oma” (1 juli 2002) op trouw.nl