Tätigkeitswort

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈtɛːtɪçkaɪ̯tsvɔʁt/
Woordafbreking
  • Tä·tig·keits·wort

Zelfstandig naamwoord

Tätigkeitswort o

  1. werkwoord
    «In dem Satz "Ich gehe nach Hause" ist "gehe" das Tätigkeitswort
    In de zin "Ik ga naar huis" is "ga" het werkwoord.
Verbuiging