Spieluhr

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: /'ʃpiːlʔuːɐ̯/
Woordafbreking
  • Spiel·uhr

Zelfstandig naamwoord

Spieluhr v

  1. speelklok, speeluurwerk
    «Seine Spieluhr war schon alt und museumsreif.»
    Zijn speelklok was al oud en rijp voor het museum.
Verbuiging