Schulmeschder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Schul·mesch·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Schulmeschder der Schulmeschder Schulmeschder die Schulmeschder
datief me Schulmeschder em Schulmeschder Schulmeschder de Schulmeschder
accusatief en Schulmeschder der Schulmeschder Schulmeschder die Schulmeschder

Zelfstandig naamwoord

Schulmeschder, m

  1. (onderwijs), (beroep) leerkracht, leraar, onderwijzer, schoolmeester (mannelijke vorm)
    «Um en guder Schulmeschder zu sei, muss mer en Feier drin hawwe.»
    Om een goede schoolmeester te zijn, moet je een vuur in zich hebben.
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen