Naar inhoud springen

Schlidde

Uit WikiWoordenboek
  • Schlid·de
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Schliddeder SchliddeSchliddedie Schlidde
datief me Schliddeem SchliddeSchliddede Schlidde
accusatief en Schliddeder SchliddeSchliddedie Schlidde

Schlidde, m

  1. slee
    «Ich bin ready fer Spuckowed un Danksgewwe, net ready Schnee zu schaufle un Schlidde zu faahre.»
    Ik ben klaar voor de spookachtige avond en dankzegging, maar niet voor het scheppen van sneeuw en slee te rijden.