Naar inhoud springen

Schlepper

Uit WikiWoordenboek
  • Schlep·per
enkelvoud meervoud
nominatief der Schlepperdie Schlepper
genitief des Schleppersder Schlepper
datief dem Schlepperden Schleppern
accusatief den Schlepperdie Schlepper

Schlepper, m

  1. (scheepvaart) sleepboot, sleper
    «Samstag früh fuhr ein leerer Schlepper gegen einen Brückenpfeiler.»
    Zaterdagochtend reed een lege sleepboot tegen een brugpijler.
  2. (afkorting), (bosbouw), (landbouw), (verkeer), (verkorting) tractor, trekker
  3. (afkorting), (verkeer), (verkorting) een truck met een oplegger
  4. (luchtvaart) pushback truck
  5. mensensmokkelaar