Scheibenwischer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: /'ʃaɪ̯bənvɪʃɐ/
Woordafbreking
  • Schei·ben·wi·scher

Zelfstandig naamwoord

Scheibenwischer m

  1. ruitenwisser
    «Meine Scheibenwischer sind schon wieder kaputt.»
    Mijn ruitenwissers zijn alweer kapot.
Verbuiging