Platzregen
Uiterlijk
- Geluid: Platzregen (hulp, bestand)
- IPA: / ˈplaʦreːgən /
- Platz·re·gen
- Samenstelling van de stam van het Duits werkwoord platzen en het Duitse zelfstandige naamwoord Regen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | der Platzregen | die Platzregen |
| genitief | des Platzregens | der Platzregen |
| datief | dem Platzregen | den Platzregen |
| accusatief | den Platzregen | die Platzregen |
Platzregen, m (meestal in het enkelvoud gebruikt)
- (meteorologie) stortbui, stortregen
- «Platzregen erschwerte die Rettungsarbeiten.»
- Stortregen bemoeilijkte het reddingswerk.
- «Platzregen erschwerte die Rettungsarbeiten.»