Nutslezing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • Nuts·le·zing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord Nutslezing Nutslezingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

Nutslezing v [1]

  1. (verouderd) een lezing gehouden voor de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
    • “Men verschaffe het Volk dikwijls, maar nimmer langdurig noch uitbundig vermaak”, zo luidde een aanbeveling uit een Nutslezing uit 1847. De spreker had de leden opgeroepen om zich in te spannen voor een 'veredeling van volksvermaken'. Deze vroege particuliere beschavingsarbeid heeft aan de basis gestaan van veel cultuur- en recreatiebeleid uit deze eeuw.[2] 
    • Leven op de scheidslijn van twee onverenigbare culturen - Van Slooten legt verder niet uit welke hij precies bedoelt - betekende voor de schrijver ongeveer hetzelfde als voor Frederik van Eeden: een dubbele persoonlijkheid, diepe angsten, creativiteit, afstandelijke objectiviteit en een sterk gevoel van geïsoleerdheid. Ter illustratie werd een Nutslezing uit 1861 opgenomen, een imaginair reisverhaal dat Van Slooten leest als "psychologisch zelfportret en blauwdruk voor Haverschmidts verdere leven'.[3] 

Gangbaarheid


Verwijzingen