Nederlanders
Uiterlijk
- Geluid: Nederlanders (hulp, bestand)
- IPA: / ˈnedərˌlɑndərs / (4 lettergrepen)
- Ne·der·lan·ders
- Nederlander zn met de uitgang -s
de Nederlanders mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord Nederlander
- ▸ ' Talloze Nederlanders zijn op 11 augustus 1999 in Noord- Frankrijk of Zuid-Duitsland getuige geweest van de totale zonsverduistering.[1]
- ▸ Bovendien hebben Nederlanders hun vakantie voor deze zomer pas relatief laat geboekt.[2]
- ▸ 'Al had ik alle parfums in Arabië, het zou nog niet genoeg zijn om de lucht van al die rottende Nederlanders te maskeren ' Tegen Nella zegt hij alleen nog maar: 'Ik vind het erg dat ze overleden is, maar ik kan haar hier niet hebben.[3]
- Het woord Nederlanders staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ “Nieuws uit de kosmos” (2024), Fontaine Uitgevers
, ISBN 9789464043075 - ↑
Weblink bron “Vakantie in eigen land populair, maar binnenkort veel duurder.” (12-7-2025), NOS - ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526