Naar inhoud springen

Ketzer

Uit WikiWoordenboek
  • Ontwikkeld uit Middelhoogduits ketzer, kether (begin 13e eeuw), ontleend aan Laatlatijn catharus in de pejoratieve betekenis van “afvallige, ketter” (uiteindelijk ontleend aan de Byzantijns Griekse benaming voor een afwijkende geloofsgemeenschap, de Katharói). [1]
enkelvoud meervoud
nominatief der Ketzerdie Ketzer
genitief des Ketzersder Ketzer
datief dem Ketzerden Ketzern
accusatief den Ketzerdie Ketzer

Ketzer m

  1. (geschiedenis) (religie) afvallige, ketter, iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
  2. (religie) afvallige, aanhanger van een leerstelling, die in tegenspraak is met datgene wat een bepaalde geloofsgemeenschap, beschouwt als de fundamentele geloofsleer
  3. (verouderd) (scheldwoord) schurk, smeerlap
  4. (figuurlijk) (schertsend) aanhanger van een alternatieve theorie, die in tegenspraak is met datgene wat een meerderheid van wetenschappers beschouwt als een fundamentele leerstelling
  1. Bronlink geraadpleegd op 07.04.2021 Weblink bron
    Wolfgang Pfeifer et al.
    Ketzer in: Etymologisches Wörterbuch des Deutschen (1993), digitalisierte und von Wolfgang Pfeifer überarbeitete Version im Digitalen Wörterbuch der deutschen Sprache op dwds.de op Wikipedia
  • Ket·zer
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Ketzerder KetzerKetzerdie Ketzer
datief me Ketzerem KetzerKetzerdie Ketzer
accusatief en Ketzerder KetzerKetzerdie Ketzer

Ketzer, m

  1. (scheldwoord) schurk

Ketzer

  1. mannelijk meervoud van Ketzer