Haerbscht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Haerbscht
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Haerbscht der Haerbscht - - - - - -
datief me Haerbscht em Haerbscht - - - - - -
accusatief en Haerbscht der Haerbscht - - - - - -

Zelfstandig naamwoord

Haerbscht, m (zonder meervoud)

  1. (tijdrekening) herfst, najaar
    «Der Haerbscht mit seinem gehle Gleed is nau bei uns.»
    De herfst met zijn gele jurk is nu bij ons.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen