Dichder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Dich·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Dichder der Dichder Dichder die Dichder
datief me Dichder em Dichder Dichder de Dichder
accusatief en Dichder der Dichder Dichder die Dichder

Zelfstandig naamwoord

Dichder, m

  1. (beroep), (letterkunde) dichter
    «Er waar en arrig bschaffigte Dichder un Schreiwer.»
    Hij was een erg bezige dichter en schrijver.
Opmerkingen