Ausgabe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈaʊ̯sgaːbə/
Woordafbreking
  • Aus·ga·be

Zelfstandig naamwoord

Ausgabe v

  1. (geen meervoud) het afgeven, verdelen, uitdelen van iets
    «Sie arbeitet ehrenamtlich in der Suppenküche und ist dort für die Ausgabe des Essens zuständig.»
    Ze werkt pro bono in de gaarkeuken en is daar voor het opdienen van het eten verantwoordelijk.
    «Sie sind für die Ausgabe des Proviants verantwortlich.»
    Ze zijn verantwoordelijk voor de verdeling van de proviant.
  2. (geen meervoud) het overhandigen van iets; distributie
    «Die Ausgabe der Post wird von Briefträgern gewährleistet.»
    De bezorging van de post wordt door postbodes verzorgd.
  3. (geen meervoud; bankwezen, posterijen) het afgeven (verkoop, emissie) van waardepapieren, aandelen, postzegels of gelijkaardigs
  4. (geen meervoud; bankwezen) het afgeven (van bankbiljetten of gelijkaardigs)
    «Als letzte Ausgabe der Silberserie „Österreich im Wandel der Zeit“ befasst sich ab 17. September das neue 20-Euro-Stück „Nachkriegszeit“ mit einer Ära, die viele noch selbst als Zeitzeugen miterlebten und mit der zahlreiche persönliche Erinnerungen verbunden sind.[1]»
    Als laatste uitgifte in de serie zilveren munten, „Österreich im Wandel der Zeit“, heeft vanaf 17 september het nieuwe 20 eurostuk een tijdperk als onderwerp dat velen nog zelf meegemaakt hebben en waarmee vele persoonlijke herinneringen verbonden zijn.
  5. (geen meervoud) het bekendmaken, verkondigen van iets
    «Die Ausgabe dieses Befehls ließ nichts Gutes erahnen.»
    Het geven van dit bevel deeds niets goeds vermoeden.
    «Die gleichzeitige Ausgabe der Losung "Jeder ist seines Glückes Schmied" bezeichnete Kamphaus dabei als zynisch.[2]»
    Gelijktijdig de leuze "ieder vervaardigt zijn eigen geluk" te verkondigen werd door Kamphaus als cynisch gekenschetst.
  6. de plaats waar iets wordt afgegeven, overhandigd
    «Die Ausgabe ist heute geschlossen.»
    Het uitgifteloket is vandaag gesloten
  7. (vaak meervoud) uitgave (bestede geldsom)
    «Es gibt abzugsfähige, laufende, ungewöhnliche Ausgaben
    Er zijn aftrekbare, lopende en ongewone uitgaven.
  8. uitgave (een vorm van publicatie [van een drukwerk of gelijkaardigs])
    «Es gibt gebundene, broschierte, kommentierte Ausgaben
    Er zijn uitgaven in ingebonden vorm, brochurevorm en voorzien van kommentaar.
  9. (zelden) uitgave (oplage van een boek)
    «Das ist die allerneueste Ausgabe des Wörterbuchs.»
    Dat is de meest recente uitgave van het woordenboek.
  10. uitgave (op een bepaalde tijdstip uitgekomene nummer van een krant of tijdschrift)
    «Sie sammelten alle alten Ausgaben dieser Zeitschrift.»
    Zij verzamelden alle oude nummers van dit tijdschrift
  11. (mediabestel) versie (op een bepaalde tijdstip uitgezondene uitzending)
    «Die letzte Ausgabe der Nachrichten läuft heute um 0.45 Uhr.»
    Het laatste journaal is vandaag om kwart voor enen.
  12. model, type
    «Beim Autohändler konnten wir sowohl die zweitürige als auch die viertürige Ausgabe des Autos in Augenschein nehmen.»
    Bij de autodealer konden we zowel het tweedeurs- als het vierdeursmodel van de auto bekijken.
  13. (IT) output
Verbuiging
Afkorting
Synoniemen
Antoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden

[8] eine Ausgabe erster, letzter Hand

  • ...
Afgeleide begrippen

Verwijzingen