Naar inhoud springen

Afrikaanse

Uit WikiWoordenboek
  • Afri·kaan·se

Afrikaanse

  1. verbogen vorm van de stellende trap van Afrikaans
     ‘Pardon, mevrouw! Maar echt, Odelle, weet je zeker dat je niet stiekem een Afrikaanse koningin bent?’ ‘Ik kom uit Trinidad.’[1]
     Weliswaar was het Afrikaanse geld de absolute voorwaarde voor baron Von Freital geweest, tot aan de bruiloftsdag van zijn dochter beschouwde hij zichzelf als haar eigenaar, met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee hij zeilboten en kastelen bezat.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord Afrikaanse Afrikaansen
verkleinwoord

deAfrikaansev

  1. (demoniem) een vrouwelijke inwoner van Afrika, of een vrouw afkomstig uit Afrika
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142