Aaltenaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • Aal·te·naar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord Aaltenaar Aaltenaren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

Aaltenaar m

  1. (demoniem) iemand die in Aalten woont
    •  
  2. (demoniem) iemand die uit Aalten komt
    • Hij wijst op een foto die direct na de bevrijding in de straten van het naburige Bredevoort is genomen. NSB’ers worden, bewaakt door gewapende landgenoten, afgevoerd. Op de stoep kijken omstanders lachend toe. „Schrijnend”, zegt De Graaf (63). Enkelen op de foto kent hij persoonlijk, zoals de sportieve buurman die na de oorlog geweerd werd als lid van de christelijke gymnastiekvereniging. De man kon het niet opbrengen mee te werken aan de tentoonstelling. Oud-Aaltenaar Joop wilde wel, op voorwaarde dat zijn achternaam achterwege blijft. De Graaf: „Schaamte.” 

Gangbaarheid