δίψα

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Oudgrieks

Zelfstandig naamwoord

δίψα v

  1. dorst
    «ὁ δὲ καίπερ τῇ δίψῃ διαπυρούμενος ἐλογίσατο πάνδεινον εἶναι κίνδυνον ψυχῇ λογισθὲν ἰσοδύναμον ποτὸν αἵματι, »
    Hoewel [David] brandde van de dorst vond hij het een bijzonder schrikwekkend gevaar voor zijn ziel om te drinken wat beschouwd werd als gelijkwaardig aan bloed.[1]
Verbuiging


Verwijzingen

  1. Septuagint 4 Makkabeen 3:15