éveiller
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| éveiller |
éveillais |
éveillé |
| eerste groep | volledig | |
éveiller
- overgankelijk wekken; wakker maken
- wederkerend wakker worden
- overgankelijk (figuurlijk) opwekken [2]; doen ontstaan
- overgankelijk iemand wakker maken voor iets; doen ontwaken; iemand iets laten ontdekken