évacuer
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| évacuer |
évacuais |
évacué |
| eerste groep | volledig | |
évacuer
- overgankelijk evacueren [1]; iets of iemand in veiligheid brengen bij een noodsituatie
- overgankelijk evacueren [2]; een plaats verlaten omwille van een noodsituatie
- overgankelijk (medisch) evacueren [3]: het lichaam ledigen van ongewenste lichaamsproducten