éteindre
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| éteindre |
éteignais |
éteint |
| derde groep | volledig | |
éteindre
- overgankelijk doven; uitdoven
- overgankelijk uitdoen [1]; uitschakelen
- wederkerend langzaam sterven ("uitdoven")
- wederkerend uitsterven
- [1][2] allumer
- ↑ éteindre (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.