équiper
Uiterlijk
- via Oudfrans eschiper "een schip uitrusten, bemannen" van Oudnoords skipa "voorzien van benodigdheden, uitrusten" [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| équiper |
équipais |
équipé |
| eerste groep | volledig | |
équiper
- overgankelijk (militair) (scheepvaart) uitrusten; voorzien van benodigdheden
- ↑ équiper (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.