écorcher
Uiterlijk
- van Laatlatijn excorticare "ontschorsen", een afleiding van Latijn cortex "buitenste laag" [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| écorcher |
écorchais |
écorché |
| eerste groep | volledig | |
écorcher
- overgankelijk villen
- overgankelijk (spreektaal) afzetten
- «Ce client a été écorché.»
- Ze hebben die klant het vel over de oren gehaald. [2]
- «Ce client a été écorché.»