échéance
Uiterlijk
- éché·an·ce
- Van het Franse échéance
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | échéance | échéances |
| verkleinwoord |
de échéance v
- Het woord échéance staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "échéance" herkend door:
| 21 % | van de Nederlanders; |
| 25 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- Geluid: échéance (Nancy) (hulp, bestand)
- IPA: /e.ʃe.ɑ̃s/
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| échéance | l'échéance | échéances | les échéances |
échéance v
- vervaldag [1]; de laatste dag waarop een (financiële) verplichting moet worden gedaan
- het totaal aan (financiële) verplichtingen die moeten gedaan worden voor deze dag
- ↑ échéance (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 21 %
- Prevalentie Vlaanderen 25 %
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 8
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ance in het Frans
- Zelfstandig naamwoord in het Frans