zwoegen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zwoe·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zwoegen |
zwoegde |
gezwoegd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
zwoegen
- (inergatief) zwaar en moeilijk werk verrichten, ploeteren
- De werkers zwoegen in de mijnen.
- Het wordt weer zwoegen voor de Cito-toets.
- Soms is het lekker om even te zwoegen en zweten.