zwijmelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwij·me·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwijmelen
zwijmelde
gezwijmeld
zwak -d volledig

Werkwoord

zwijmelen

  1. (inergatief) in extase zijn of geraken
    De meisjes zwijmelden bij de aanblik van hun favoriete popster.
  2. dagdromen