zweten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zwe·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zweten /'zʋetə(n)/ |
zweette /'zʋetə/ |
gezweet gezweten /ɣə'zʋet/ /ɣə'zʋetə(n)/ |
| zwak -t
gemengd |
volledig | |
Werkwoord
zweten
- (inergatief) vocht uitscheiden uit de zweetklieren in de huid
- Hij zweette hevig nadat hij een stuk hardgelopen had.