zwenken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zwen·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zwenken |
zwenkte |
gezwenkt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
zwenken
- wenden, keren
- De vrachtwagen zwenkte naar rechts.