zwelgen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwel·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwelgen
/zʋɛlɣə(n)/
zwolg
/zʋɔlx/
gezwolgen
/ɣə'zʋɔlɣə(n)/
klasse 3 volledig

Werkwoord

zwelgen

  1. zich onmatig verlustigen
    Zij stak uit de mouw van haar witten japon een blanken arm tusschen de wazige, blauwe trossen en plukte, en plukte meer. En het was een gulzigheid, in de druiven zwolgen zij. - Louis Couperus.
Vertalingen