zwartrijder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwart·rij·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwartrijder zwartrijders
verkleinwoord zwartrijdertje zwartrijdertjes

Zelfstandig naamwoord

zwartrijder m

  1. iemand die zwartrijd, iemand die van het openbaar vervoer gebruikmaakt zonder te betalen
    Hij is een gewiekste zwartrijder.
  2. iemand die nalaat wegenbelasting te betalen
    Bij een grootscheepse controle werd de zwartrijder aangehouden.
Vertalingen