zwangerschap
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zwan·ger·schap
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zwangerschap | zwangerschappen |
| verkleinwoord | zwangerschapje | zwangerschapjes |
Zelfstandig naamwoord
zwangerschap v
- de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
- Zij voelde zich niet lekker door haar zwangerschap.