zwanger
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zwan·ger
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | zwanger |
| verbogen | zwangere |
Bijvoeglijk naamwoord
zwanger
- de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
Verwante begrippen
Vertalingen
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Limburgs
Uitspraak
- IPA: /zwɑŋɐ(r)/ (Etsbergs)
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van zwang.
Bijvoeglijk naamwoord
zwanger
- zwanger
- (verouderd) hongerig
- «Ich bön zoea zwanger, det ich d'r-z ven beval!»
- Ik ben zo hongerig dat ik verga!
- «Ich bön zoea zwanger, det ich d'r-z ven beval!»