zoogde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- zoog·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zogen |
zoogde
- enkelvoud verleden tijd van zogen
- Ik zoogde.
- Jij zoogde.
- Hij, zij, het zoogde.
- Ik zoogde.
| vervoeging van |
|---|
| zogen |
zoogde