zonderde af
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- zon·der·de af
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afzonderen |
zonderde af
- enkelvoud verleden tijd van afzonderen
- Ik zonderde af.
- Jij zonderde af.
- Hij, zij, het zonderde af.
- Ik zonderde af.