zondebok
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zon·de·bok
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zondebok | zondebokken |
| verkleinwoord | zondebokje | zondebokjes |
Zelfstandig naamwoord
zondebok m
- (religie) een te offeren dier, gewoonlijk een bokje, waarop alle zonden geworpen worden
- Op Yom Kippur werd een zondebok "voor Azazel" beladen met zonden "naar de wildernis geleid", dat wilde later zeggen dat de bok van een rots afgeworpen werd.
- overdrachtelijk: iemand, al dan niet schuldig aan iets, die gebruikt wordt om de levende onvrede op af te wentelen
- Minderheden zoals joden of homo's worden maar al te vaak als handige zondebok aangewezen als politici gecontronteerd worden met onvrede onder de bevolking.