zond
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- zond
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zenden |
zond
- enkelvoud verleden tijd van zenden
- Ik zond.
- Jij zond.
- Hij, zij, het zond.
- Ik zond.
| vervoeging van |
|---|
| zenden |
zond