zoenen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zoe·nen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zoenen |
zoende |
gezoend |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
zoenen
- met de mond liefkozen
Vertalingen
1. met de mond liefkozen
Zelfstandig naamwoord
zoenen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zoen