zoen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoen
enkelvoud meervoud
naamwoord zoen zoenen
verkleinwoord zoentje zoentjes

Zelfstandig naamwoord

zoen m

  1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zoenen

zoen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoenen
    Ik zoen.
  2. gebiedende wijs van zoenen
    Zoen!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoenen
    Zoen je?


Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen