zoen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zoen
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zoen | zoenen |
| verkleinwoord | zoentje | zoentjes |
Zelfstandig naamwoord
zoen m
- het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
- (geschiedenis) verzoening, vrede (zie bijv. zoenoffer)
Synoniemen
Hyponiemen
- afscheidszoen, klapzoen, luchtzoen, nachtzoen, negerzoen, paardenzoen, toneelzoen, welkomstzoen, zuigzoen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zoenen |
zoen
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoenen
- Ik zoen.
- gebiedende wijs van zoenen
- Zoen!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoenen
- Zoen je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.