zitting
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zit·ting
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van zitten met het achtervoegsel -ing.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zitting | zittingen |
| verkleinwoord | zittinkje | zittinkjes |
Zelfstandig naamwoord
zitting v
- het gevoerde deel van een stoel waarop men zit
- Deze zitting moet opnieuw gestoffeerd worden.
- de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
- De koningin opende de zitting van het parlement.
- ~ nemen in ergens toe toetreden
Vertalingen
1. het gevoerde deel van een stoel waarop men zit
3. ~ nemen in ergens toe toetreden