zinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zin·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zink met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zinken
/zɪŋkə(n)/
zonk
/zɔŋk/
gezonken
/ɣəzɔŋkə(n)/
klasse 3 volledig

Werkwoord

zinken

  1. (ergatief) in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
    Het schip is nog niet gezonken, maar dat staat wel te gebeuren.
Vertalingen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen zinken

Bijvoeglijk naamwoord

zinken

  1. van zink vervaardigd
    De Tweede Wereldoorlog zag in Nederland de komst van zinken muntstukken.

Zelfstandig naamwoord

zinken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zink