zigzag
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈzɪχ.sɑχ/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈzɪx.sɑx/
- (Limburg): /ˈzɪɣ.zɑx/
Woordafbreking
- zig·zag
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zigzag | zigzags |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
zigzag m
- een beweging of lijn die plotseling één of meer scherpe koersveranderingen ondergaat
- Hij maakte een heel wat zigzags in zijn afdaling van die steile skipiste.
Vertalingen
1. een beweging of lijn die plotseling één of meer scherpe koersveranderingen ondergaat
Bijwoord
zigzag
- met scherpe koersveranderingen
- Hij kwam zigzag de heuvel af.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zigzaggen |
zigzag