zigzag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zig·zag
enkelvoud meervoud
naamwoord zigzag zigzags
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zigzag m

  1. een beweging of lijn die plotseling één of meer scherpe koersveranderingen ondergaat
    Hij maakte een heel wat zigzags in zijn afdaling van die steile skipiste.
Vertalingen

Bijwoord

zigzag

  1. met scherpe koersveranderingen
    Hij kwam zigzag de heuvel af.

Werkwoord

vervoeging van
zigzaggen

zigzag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zigzaggen
    Ik zigzag.
  2. gebiedende wijs van zigzaggen
    Zigzag!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zigzaggen
    Zigzag je?