ziekenhuisverpleging

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·ken·huis·ver·ple·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ziekenhuisverpleging -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ziekenhuisverpleging v

  1. de gegeven verpleging in een ziekenhuis
    Er werd slechts acht uur aan ziekenhuisverpleging vergoed.
  2. het geheel aan verplegers in een ziekenhuis
    De ziekenhuisverpleging ging een dagje uit.
Vertalingen