ziekenhuisbed
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zie·ken·huis·bed
Woordherkomst en -opbouw
- Samenstelling ziekenhuis en bed
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ziekenhuisbed | ziekenhuisbedden |
| verkleinwoord | ziekenhuisbedje | ziekenhuisbedjes |
Zelfstandig naamwoord
ziekenhuisbed o
- een bed in een ziekenhuis, een behandelplaats van een ziekenhuis.
- Er was nog maar één ziekenhuisbed vrij.
- het type bed dat veel in ziekenhuizen te vinden is en bedoeld is om voldoende zorg te bieden aan de patiënt.
- Ik heb een ziekenhuisbed gekocht.