zieden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈzidə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈzidə(n)/
Woordafbreking
- zie·den
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Oergermaanse *seuþan ("koken, zieden"). Cognaten zijn onder meer het Oufriese siatha (Fries siede), het Oudsaksische sioðan, het Oudhoogduitse siodan (Duits sieden), het Oudengelse sēoþan (Engels seethe) en het Oudnoorse sjóða (Zweeds sjuda).
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zieden |
zood |
gezoden |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
zieden
- (overgankelijk) droogkoken, [grondstoffen] zuiveren of raffineren door ze aan de kook te brengen; met name van pekel of suiker of zeep
- In Zwijndrecht werd vroeger gezoden ter wille van de zoutwinning.
- (overgankelijk) [een chemische verbinding] bereiden door de grondstoffen te koken; met name van zeep, verf of vernis
- Het productieproces van zeep begon vroeger door vet samen met loog te zieden, zodat het vet verzeepte.
- (ergatief) koken, zo heet zijn dat het kookpunt bereikt wordt
- Laat de pan eerst heet worden, doe er dan boter in tot deze ziedt en leg ten slotte het vlees erbij.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
[2] van goed zout gezoden
- geraffineerd op basis van ruw zout, niet van een andere zilte stof
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zieden |
ziedde |
gezied |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
zieden
- koken
- (inergatief), (figuurlijk) ~ van [een (meestal negatieve) emotie]; hevig beroerd worden
- Toen Agamemnon hem zijn beloofde krijgsbuit Bryseis onthield, ziedde Achilles van woede en trok zich terug in zijn tent.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [2]: zieden van woede
uitzonderlijk kwaad zijn