zeiken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zei·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zeiken
zeikte
gezeikt
zwak -t volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zeiken
zeek
gezeken
klasse 1 volledig

Werkwoord

zeiken

  1. (informeel) veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
    Zit toch niet zo te zeiken!
  2. (dysfemisme) urineren
    Die rotkater heeft weer op die plek gezeken.
  3. (inergatief), (informeel) stortregenen
    Het zeikt buiten.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen