zeiken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zei·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zeiken |
zeikte |
gezeikt |
| zwak -t | volledig | |
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zeiken |
zeek |
gezeken |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
zeiken
- (informeel) veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
- Zit toch niet zo te zeiken!
- (dysfemisme) urineren
- Die rotkater heeft weer op die plek gezeken.
- (inergatief), (informeel) stortregenen
- Het zeikt buiten.