zegepraal
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ze·ge·praal
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zegepralen |
zegepraal
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegepralen
- Ik zegepraal.
- gebiedende wijs van zegepralen
- Zegepraal!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegepralen
- Zegepraal je?