zegel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ze·gel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zegel | zegels |
| verkleinwoord | zegeltje | zegeltjes |
Zelfstandig naamwoord
zegel m
- een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
- Een zegel kan van papier, lak of zelfs van klei vervaardigd zijn.
- een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
- Deze zegeltjes zijn niet meer geldig.
Afgeleide begrippen
...zegel...
|
Vertalingen
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
2. een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zegelen |
zegel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegelen
- Ik zegel.
- gebiedende wijs van zegelen
- Zegel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegelen
- Zegel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.