zeel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /zel/
Woordafbreking
- zeel
Woordherkomst en -opbouw
- >Middelnederlands zeel >Germaans *sailo-, een -l- afleiding van een proto-Indo-Europese wortel *si, *sai -«binden», vgl Lets: sinu, Oudgrieks :ἱμάς -«riem»[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zeel | zelen |
| verkleinwoord | zeeltje | zeeltjes |
Zelfstandig naamwoord
zeel o
- sterke brede band waarmee men iets voorttrekt of vastbindt. Arch. (1811) [2]
- Verheugen zich, datze de handt aen het zeel mogen slaen. - Vondel.