zeel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zeel zelen
verkleinwoord zeeltje zeeltjes

Zelfstandig naamwoord

zeel o

  1. sterke brede band waarmee men iets voorttrekt of vastbindt. Arch. (1811) [2]
    Verheugen zich, datze de handt aen het zeel mogen slaen. - Vondel.
Verwijzingen
  1. Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892
  2. Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen