zatheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zat·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord zatheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zatheid v

  1. algehele dronkenschap
    Zijn zatheid was stuitend.
  2. overmatigheid in voedsel
    De slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen.[1]
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Pred. 5:11
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen