zatheid
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zat·heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zatheid | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
zatheid v
- algehele dronkenschap
- Zijn zatheid was stuitend.
- overmatigheid in voedsel
- De slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen.[1]
Vertalingen
Verwijzingen
- ↑ Pred. 5:11